Terug naar thema's

Sprookjes

Terug naar thema's Thema's

Meer weten


Klassengesprek Sprookjes
Waarom zijn sprookjes zo aantrekkelijk voor kinderen en jongeren? We zetten een aantal eigenschappen onder elkaar.

  • Het wonder, het geheel andere dat door bijvoorbeeld ’Er was eens’ al wordt aangekondigd.

  • Het goede, dat het kwade overwint.

  • De hoofdrollen worden vaak door kinderen en jongeren vervuld. Het aantal personages is beperkt.

  • De eenvoudige vorm en taal van het sprookje, weinig beschrijvingen, veel handelingen, veel tegenstellingen: zwart - wit, lief - lelijk, arm - rijk, knap - dom.

  • Belangrijk is ook de herhaling. Bepaalde getallen, zoals een 3, 7 en 9 en kleuren, zoals rood, zwart, wit hebben een magische betekenis.

  • De sprookjesfiguren zelf, die een niet alledaags gebeuren voorspellen en veel emoties oproepen. Universele gevoelens waarmee iedereen geconfronteerd kan worden, zoals haat, medelijden, jaloezie, angst en onzekerheid.




    Een gesprek met leerlingen over sprookjes kan naar boven brengen dat sommigen het onderwerp ’flauwekul’ vinden en ander juist ’heel mooi’.

  • Laat de leerlingen vervolgens een aantal eigenschappen verzinnen van sprookjes die hun erg aanspreken of juist niet aanspreken.

  • Laat de leerlingen in sprookjesboeken opzoeken of ze deze eigenschappen daarin ook terug kunnen vinden.

Vraag ze of ze zich nog sprookjes van vroeger herinneren. Welke waren het mooiste en waarom?


Luisteren

Nog een recept om een eigen sprookje te maken





De held(in) overkomst iets naars of doet iets fout en moet of wil weer een toestand van geluk bereiken door een zelf bedachte of door anderen opgelegde opdracht te vervullen. Daarvoor moet een reis worden gemaakt. Onderweg zijn er helpers en tegenstanders, maar het doel wordt bereikt.





  • Mensen en ’onaardsen’


    Arme jongen/arm meisje; koning/koningin; weeskind/stiefkind; oude vader/ oude moeder; boze stiefmoeder&zusters; molenaar, houthakker; kleermaker of beoefenaar van ander oud beroep; soldaat; reus; heks/tovenaar; fee; dwerg/trol.


  • Dieren


    Trouwe of juist woeste beer; vuurspuwende draak; slimme kat; gemene wolf; koppige ezel; onheilspellende draak; gekwiekste spin; dappere leeuw; sluwe vos.


  • aatsen


    Groot woud; diep meer; de zee; heksenhutje, al dan niet op poten; kasteel; hoge toren; diepe put; smerige kerker; oude molen; vervallen huisje; stal.


  • Voorwerpen met magische eigenschappen


    Toverstaf; spreuk; toverdrank.


  • Opdrachten/doelen


    Prins, prinses of iemand anders bevrijden; geliefd dier afdanken/slachten; iets kostbaars vinden.


  • Problemen


    Trol of ander monster overwinnen; honger/dorst; jaloezie; hebberigheid; verraad.


  • Beginzinnen


    Er was eens . . .; Lang geleden leefden er . . .; In een land hier heel ver vandaan . . .


  • Slotzinnen


En ze leefden nog lang en gelukkig . . .; En als ze niet gestorven zijn, leven ze nu nog . . .; Zo komt het dat . . .





Het wordt extra mooi en spannend als de leerling er zelf nog wat ingrediënten aan toe voegt.


Geef bovendien nog extra aan dat sprookjes het vaak moeten hebben van tegenstellingen: rijk/arm; leven/dood; haat/liefde; kinderen/oude mensen; griezelig/gezellig.





Tijdens alle activiteiten rondom sprookjes kunt u sprookjes-muziek spelen.


Er is muziek rondom de sprookjes van Walt Disney, maar denk ook aan Tschaikovski - Het Zwanenmeer, De Notenkraker; Prokoview - Peter en de Wolf; De tovenaarsleerling - Saint Seans; Delibes-Coppelia.


Sprookjes in massamedia, reclame enz.
Sprookjes en verhalen zijn doorgedrongen in de massamedia van nu, zoals de films van Walt Disney, computerspelletjes en griezelverhalen (inclusief horrorvideo’s).

Ze worden ook gebruikt voor uiteenlopende doeleinden, bijvoorbeeld door psychotherapeuten, in de reclame en door de vele vertelclubs in Nederland en Duitsland.

Wanneer leerlingen veel sprookjes lezen of naar sprookjes luisteren, ontdekken zij hoe je ervaringen in een verhaal kunt ordenen en wel op zo’n manier dat je anderen kunt volgen en anderen jou kunnen volgen. Volksverhalen zijn dus bij uitstek geschikt om bij leerlingen de kennis ten aanzien van de inhoud van een tekst te vergroten.


Sprookjes verzinnen en vertellen

De leerkracht of leerling start met een zin te vertellen. Iedere leerling vertelt één zin die aansluit bij de vorige zin. Er ontstaat een verhaal.





De leerlingen worden in groepen van vier leerlingen ingedeeld.


Leerling 1: leest een verhaal voor (b.v. Rapunsel in de Nederlandse vertaling van Grimm - Raponsje)


Leerling 2: meteen hierna vertelt deze het verhaal zo precies mogelijk na.


Leerling 3: overdrijft het verhaal of een gedeelte uit het verhaal.


Leerling 4: doet er nog een schepje bovenop.


Afsluitend leest de leerkracht het sprookjesprentenboek: De prinses met de lange haren van Annemarie van Haeringen voor.





Een variant hierop is dat leerling 2 het verhaal vertelt vanuit een personage uit het verhaal in de ik-vorm. Leerling 3 en 4 gaan door vanuit de ik-vorm en misschien wel vanuit een ander personage.


De ’nieuwe’ verhalen - van leerling 4 - worden nog eens, plenair, aan de hele groep verteld. Van het verhaal kan vervolgens een moderne centsprent worden gemaakt.


Op een groot vel tekenpapier ca. 40x60 cm bovenaan de titel plaatsen en naam van de auteur (leerling). Vervolgens het vlak regelmatig vullen met vierkanten van zo’n 7,5x7,5 cm. Drie op een rij naast elkaar en vervolgens vier ’verdiepingen’ onder elkaar.


De leerlingen mogen natuurlijk ook voor meer of minder ’vakjes’ kiezen. Elk vierkant wordt gevuld met een afbeelding van een episode uit het zelfbedachte sprookje. Er onder een twee tot vierregelige (liefst rijmende) tekst.


Een centsprent bevat bijvoorkeur een mix van humor, liefde en geweld . . .


Schoolbieb
Op www.schoolbieb.nl zijn lessuggesties te vinden en praktische tips. Er zijn links gemaakt naar interessante websites, verwijzingen naar literatuur en lespakketten en nog veel meer